Over mezelf

Dit deel zou het gemakkelijkst moeten zijn om te schrijven. Wie kent je immers beter dan jezelf? Je bent met jezelf opgegroeid. Je hebt van zeer dichtbij alle voorspoed en tegenslagen meegemaakt. Alle verwachtingen, dromen, ambities. De eerste verliefdheid. Jij was erbij. Je hebt ook alle dagboekaantekeningen ingezien, inclusief dat wat je met niemand anders wilt delen. Misschien is het daarom wel zo lastig.

Daarom begin je maar met algemeenheden. Literatuurwetenschappen gestudeerd. Waarom? In een opwelling. Omdat op dat moment niets beter bij je paste. Daar heb je voor het eerst de echte letteren geproefd. De smaak van zware literatuur. Poëzie ook. Alsof je eraan verslaafd was geraakt. Je las op elk moment, ’s nachts ook veel. Je had colleges gemist omdat je je boek uit wou lezen. In die periode heb je voor het eerst je eigen smaak ontwikkeld.

Vervolgens Nederland de rug toegekeerd en naar Engeland gegaan. Hun literatuur lag je ook beter. Een internationale ervaring rijker ben je het jaar daarop in Rotterdam neergestreken. Al die tijd was je blijven schrijven. De eerste publicaties kwamen. Je vertaalde ernaast om je eerbied voor die zware literatuur te delen. Een traditie in leven houden.

Dit is een manier om het te doen.

Een andere is door te zeggen wat je las en wat je schreef. Je studeerde af op Allen Ginsberg. De beats spraken je aan. Maar ook de Europese avant-garde. Apollinaire. Auden. Via Ginsberg kwam je bij Whitman terecht. Een Amerikaanse grootheid uit de 19e eeuw, hoewel die pas na de Tweede Wereldoorlog zijn status als grote, nationale dichter van Amerika kreeg. Je las dat Pound zich verslonden voelde door de dichtstijl van Whitman en bewust een andere kant opging. Weg van die gigant.

Naast het vertalen ging je essays schrijven. Een logisch vervolg na een studie waarin je essays over allerlei aspecten van de literatuur hebt geschreven. Je kwam bij Meander terecht, op dat moment het meest wijdverspreide online poëzieplatform met meer dan 5000 abonnees. Je schreef recensies en kreeg daar al snel waardering voor. Elke dichtbundel die je besprak, nam je enkele dagen met je mee om het werk volledig te ondergaan. Niet veel later vroegen ze je voor analyses van klassieke gedichten. Als hoogtepunt werd je voorstel aangenomen voor de essayreeks ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’. In elk essay besprak je bondig een aspect van de door jou zo geliefde poëzie.

Maar, zoals het gezegde gaat, het bloed stroomt waar het niet gaan kan, en de schrijver en dichter kreeg de overhand. Meander werd verlaten en je stortte je op je eigen werk en met name ook op het vertalen. Dat voelde aan alsof je een jeugdbelofte in moest lossen. Je begon met Whitman, die op dat moment niet noemenswaardigs in het Nederlands was vertaald. Met de hulp van Joop Leibbrand van Meander en Kees Klok die op dat moment zijn vertaalwerk bij uitgeverij Wagner & Van Santen publiceerde, kwam je met je eerste vertaling in eigen beheer: ‘Het lied van mezelve’.

Tot je eigen verrassing kreeg het boekje een zeer lovende recensie, vooral je muzikale taalgebruik werd geprezen. De ééntalige uitgave was binnen een half jaar uitverkocht. Je nam je voor om terug te komen met een uitgebreidere versie die tweetalig zou zijn en bij een echte uitgeverij zou verschijnen.

Ondertussen schreef je verder, nog steeds vooral poëzie. Je werd in Rotterdam lid van de dichtclub en elke eerste woensdagavond van de maand droeg je er voor, soms ook op podia elders in het land. Je stuitte er op de poetry slam en besloot dat dit niks voor jou was.

Je volgende grote stap kwam toen je met enkele vrienden begon aan uitgeverij Nadorst. Zij hadden hun eerste werk al klaar. Jij besloot onbekend werk van Jack Kerouac te vertalen. Daar trad je ook mee op, vaak begeleid door jazzmuziek. Er volgden meer vertalingen: Oscar Wilde en Lawrence Ferlinghetti. Allen Ginsberg ging uiteindelijk niet door.

Je bleef ook nog doorgaan met je eigen werk. Na een korteverhalenworkshop onder leiding van Christiaan Weijts ging je meer en meer je pijlen richten op het korte verhaal. Je ging bij een schrijversgroep. Je eerste inzending voor een korteverhalenwedstrijd kreeg een zeer positieve recensie van de organisatie.

Zo kan het ook.

Maar je kunt ook denken dat iemand die schrijft zichzelf het beste toont in zijn of haar eigen werk en niet in wat hij of zij over zichzelf kwijt wil.