Het schrijfgezelschap William Shakespeare

Dit artikel is geschreven op basis van een artikel in The Guardian en enkele e-mails met een van de hoofdonderzoekers.

De toneelschrijver William Shakespeare is William Shakespeare niet meer. Althans, als we de professoren Gary Taylor (Florida State University, VS), John Jowett (Shakespeare Institute, University of Birmingham, VK) en 21 andere academici mogen geloven. Maar voor ons is en blijft hij gewoon de auteur van Romeo and Juliet, A Midsummer Night’s Dream en al die goed verfilmbare klassiekers die hem tot een van de grootste Engelstalige schrijver allertijden hebben gemaakt. En er is wel meer dan een onderzoekje voor nodig om daarin verandering te brengen.

Erg groot werd de onderzoeksresultaten dan ook niet opgepikt. Enkel in The Guardian verscheen er een artikel over, waarin ook enkele medewerkers van het onderzoekersteam werden aangehaald. Toch achtte de Oxford University Press de resultaten betrouwbaar genoeg om de titelpagina een aantal toneelstukken aan te passen. En als we de onderzoekers mogen geloven, dan zal het daar niet bij zal blijven.

Dat door de tijd heen de persoon William Shakespeare in nevelen was gehuld en men vraagtekens heeft geplaatst bij zijn auteurschap is niet verbazingwekkend als je beseft hoe weinig we eigenlijk van The Immortal Bard afweten. Hij was geboren in Stratford-upon-Avon in 1564. Verder is er van zijn leven in Stratford weinig bekend. Hij komt weer in beeld wanneer hij in het Elizabethaanse Londen naamsbekendheid opbouwde als toneelschrijver en acteur. Hij was er verbonden aan een beroemd toneelgezelschap, Lord Chamberlain’s Men. In de welvarende hoofdstad werd hij waarschijnlijk een redelijk vermogend man. Dat weten we omdat we koopaktes hebben waaruit blijkt dat hij in Londen en in zijn geboorteplaats huizen bezat. Op een gegeven moment zou hij met pensioen zijn gegaan en terug zijn gekeerd naar zijn geboorteplaats, waar hij in 1616 aan een onbekende kwaal overleed.

Door alle hiaten in onze kennis van zijn levensloop is er volop ruimte om te speculeren over de man en zijn werk en dat heeft men dan ook naar hartenlust gedaan, vooral in de negentiende eeuw toen de populariteit van zijn werk sterk groeide. Een van de meest gehoorde argumenten van de groep Shakespeare-sceptici, de ‘anti-Stradfordians’, was dat Shakespeare met de eenvoudige opleiding die hij in Stradford moest hebben genoten, nooit de kennis van de Klassiekers kon bezitten die hij in zijn toneelstukken etaleerde. Zij meenden dat Shakespeare een masker was waarachter iemand anders schuilging en ze schoven stuk voor stuk een van zijn schrijvende tijdgenoten als de ‘echte’ Shakespeare naar voren. Op hun kandidatenlijst stonden gerenommeerde namen als Ben Jonson en Christopher Marlowe. Aanhangers van de ‘Oxfordiaanse theorie’ zien echter Edward de Vere, de 17e Graaf van Oxford, als de enige echte Shakespeare, omdat hij zowel over de juiste culturele bagage beschikte, als in zijn tijd een gevierd toneelschrijver was. En in 1857 verscheen het boek The Philosophy of the Plays of Shakespeare Unfolded van de Amerikaanse Delia Bacon, waarin ze betoogde dat Shakespeare niet één man maar een clubje mannen was en dat haar naamgenoot Francis Bacon een van hen moest zijn.

Maar door gebrek aan concrete bewijzen bleef het allemaal bij speculeren. Wie bijvoorbeeld A Midsummer Night’s Dream of een van zijn andere toneelstukken openslaat, zal op de titelpagina het resultaat zien van al deze discussies en argumenten in de negentiende eeuw. Het werk van William Shakespeare wordt nog steeds volledig aan de grote schrijver zelf toegeschreven.

Maar wie een blik werpt op zijn literaire productie, moet wel toegeven dat de anti-Stradfordians op z’n minst een punt hebben: The Bard of Avon wist in een periode van 23 jaar ten minste 37 speelklare toneelstukken te schrijven. Daarnaast schreef hij zelf mee aan andere toneelstukken, hij was actief als acteur en hij was betrokken bij een van de bekendste toneelgezelschappen in Londen.

Dat hij zo veel toneelstukken heeft geschreven, komt door het Elizabethaanse theater. Toneelgezelschappen hadden in die periode veel toneelstukken nodig, omdat ze elke dag een ander stuk opvoerden. Ze gingen niet zoals tegenwoordig met maar één stuk per theaterseizoen het land af.

Shakespeare pakte het daarom ook slim aan. Hij nam bestaande verhalen en bewerkte die voor toneel. Zo is het narratieve gedicht The Tragical History of Romeus and Juliet uit 1562 van Arthur Brooke hoogstwaarschijnlijk de inspiratiebron geweest voor Romeo and Juliet. Wat ook hielp, was de structuur van vijf aktes die hij voor zijn toneelstukken hanteerde. Zo kon hij zijn werk ophangen aan een vaste dramatische kapstok.

Toch moest hij nog steeds de dramatische of komische spanningsboog uitwerken. De karakters moesten verder worden uitgewerkt en gedramatiseerd en bovendien moesten alle dialogen worden geschreven, inclusief de spitsvondige woordgrapjes en beroemde regels als: “To be, or not to be; that is the question”. Zelfs met een bestaand verhaal en binnen vastomlijnd kaders is het een hele toer om in zo’n relatief korte periode 37 toneelstukken van de allerhoogste kwaliteit te produceren voor het beste theatergezelschap van het land.

Shakespeare deed dus wat elke toneelproducent in zijn positie gedaan zou hebben en wat wel werd vermoed maar wat tot dusverre door de gangbare literaire theorieën werd bestreden. Hij huurde andere schrijvers in om mee te schrijven aan zijn eigen toneelstukken. In de culturele hoofdstad van Engeland werd hij omringd door een grote groep getalenteerde broodschrijvers die ten eerste uitstekend in hun vak waren en ten tweede zo vaak om geld verlegen zaten dat ze gewend waren om gezamenlijk aan toneelstukken te werken. Als ervaren toneelschrijver moest hij bovendien geweten hebben wat de sterke en zwakke punten van zijn collega’s waren.

Nieuw onderzoek heeft deze samenwerkingstheorie uitgediept en vaste vorm gegeven. Aanleiding voor dit onderzoek is de nieuwste uitgave van Shakespeares werk door de Oxford University Press, de New Oxford Shakespeare. Deze uitgeverij had literatuurwetenschappers uit de hele wereld gevraagd om gezamenlijk een grondige tekstanalyse van het werk van Shakespeare uit te voeren. Zij deden dit door de beproefde literatuurstudie te combineren met de nieuwste computerprogramma’s. Zo analyseerden ze de teksten op woordencombinaties die ze karakteristiek voor Shakespeare achtten en vergeleken die met woordencombinaties die ze kenmerkend vonden voor zijn tijdgenoten.

Met het verschijnen van New Oxford Shakespeare is de opdracht van de uitgeverij afgelopen. Toch valt er nog meer te ontdekken op dit gebied. De voorlopige conclusie van de onderzoekers is dat in bijna twee vijfde van alle toneelstukken van Shakespeare de hand van een tweede schrijver zichtbaar is. In sommige gevallen gaat het om bewerkingen van zijn toneelstukken voordat ze voor het eerst in druk verschenen, wat in Shakespeares geval pas na zijn overleden was.

Wat volgens de onderzoekers in ieder geval boven elke twijfel verheven is, is dat Shakespeares tijdgenoot, Christopher Marlowe, meegeschreven heeft aan de delen één, twee en drie van Henry VI. In lijn met hun bevindingen heeft de Oxford University Press Marlowe naast de grote schrijver zelve op de titelpagina gezet. Maar er staan dus nog meer tijdgenoten in de coulissen te trappelen om in toekomstige edities hun rechtmatige plek te krijgen als co-Shakespeareschrijver. Denk hiervoor aan namen als George Peel, Thomas Heywood en Henry Chettle.

William Shakespeare zelf zal de hele kwestie rond zijn auteurschap vast ‘Much Ado About Nothing’ hebben gevonden. Als man van het theater ging het hem er waarschijnlijk vooral om wat er op het moment zelf op het podium gebeurde. Al dat andere, de publicatie van zijn toneelstukken, zijn eventuele roem bij het nageslacht, de latere kwesties rondom zijn auteurschap, het zou hem weinig geboeid hebben. Hij genoot de bewondering van zijn tijdgenoten en dat was hem genoeg. Zo schreef zijn tijdgenoot, medetoneelschrijver en nu ook mogelijke co-Shakespeareschrijver Ben Jonson na Shakespeares overlijden over hem: “ … While I confess thy writings to be such / As neither man nor muse can praise too much / …” (uit ‘To the Memory of My Beloved the Author, Mr. William Shakespeare’).

(c) Joris Lenstra