Fernando Pessoa: ongehoord alleen ver de kudde voor

 

'If Fernando Pessoa had never existed, Jorge Luis Borges might have had to invent him', aldus de Amerikaanse poëziecriticus John Hollander in zijn essay Quadrophenia, verschenen in het tijdschrift New Republic van 7 september 1987.

Als Pessoa (1888-1935) niet bestaan had, dan had de Argentijnse schrijver Jose Luis Borges (1899-1986) hem wellicht moeten verzinnen. Pessoa is, als zoveel verhalen van Borges, een enigma. Hij schreef gedichten onder verschillende namen. Hij gaf deze pseudoniemen een biografie en liet ze in artikelen en essays op elkaar reageren. Pessoa was er alles aan gelegen om deze pseudoniemen, waar hij zelf de term 'heteroniemen' voor had bedacht, te omkleden met een bestaan onafhankelijk van hemzelf. Hoe hij tot deze opmerkelijke daad is gekomen, is tot op heden een raadsel.

Hoewel hij actief was in het Portugese literaire milieu, heeft hij tijdens zijn leven nauwelijks gedichten gepubliceerd. Na zijn dood werd in een grote kist – bijna als in een sprookje – een enorme hoeveelheid manuscripten en teksten gevonden. Een aantal was ondertekend door een van de 'heteroniemen', waaronder Fernando Pessoa. Maar er zaten ook werken tussen zonder ondertekening. Daarna begon voor de literatuurwetenschapper het puzzelwerk. Uit de fragmenten werd een duizelingwekkend oeuvre samengesteld en Pessoa werd postuum in ere hersteld. Door velen wordt hij inmiddels internationaal gezien als de belangrijkste, zo niet de enige, Portugese dichter van naam van de twintigste eeuw.

Opvallend genoeg sloot de manier waarop hij alsnog in het Pantheon is opgenomen aan bij de ambities die hij eerder geformuleerd had.

Wat kan, bij een dergelijk gebrek aan literatuur, als thans heerst, een man van genie anders doen dan zichzelf, in zijn eentje, te transformeren in een literatuur? Wat kan, bij een dergelijk gebrek aan samenleefbare mensen, als thans heerst, een gevoelig mens anders doen dan zijn vrienden, of althans zijn geestverwanten, te verzinnen?

Hier is een nietsontziend genie aan het woord, voor wie de literatuur het leven overstijgt. Niet voor niets vergeleek hij zichzelf graag met Shakespeare, die de gewraakte uitspraak deed: 'All the world's a stage, and all the man and woman merely players' – een vrijbrief voor de rijke verbeelding van Pessoa.

In schril contrast tot zijn imaginaire wereld staat zijn eigen leven. Hij was verlegen, op het introverte af. Hij heeft nauwelijks een langdurige seksuele relatie van betekenis gehad. Hij heeft weinig poëzie naar buiten toe gebracht. En hij joeg nagenoeg constant een kunstmatige roes na, opgewekt door zijn grote alcoholconsumptie. Uiteindelijk is hij hier ook vroegtijdig aan overleden.

Wie zijn geschriften erop naslaat, ontdekt een schrikbarend gebrek aan waardering voor zijn eigen leven. De kunst, de poëzie; dat was alles voor hem. En hij maakte zich eraan ondergeschikt op een manier die duidelijk zelfvernietigend was.

Frappant genoeg betekent de naam Pessoa in het Portugees 'persoon', een woord dat afstamt van het Latijnse 'persona', dat oorspronkelijk 'masker' betekende. De Ierse schrijver Oscar Wilde schreef al eerder: 'give a man a mask and he will tell you the truth'. Dit enigma bevat wellicht de sleutel tot het Hydra-achtige karakter van het werk van Pessoa.

Een van die koppen, en volgens velen de meest boeiende, is de schreeuwende Álvaro de Campos. Het heteroniem De Campos verscheen voor het eerst in 1913. Zijn gedichten uit de periode 1913-1922 – waaronder ook een handvol die 'waarschijnlijk' voor dit heteroniem bedoeld was – zijn nu in zijn geheel vertaald door August Willemsen. Het is een lijvig boekwerk geworden van meer dan 400 pagina's met een uitgebreid nawoord. Er zal ook nog een deel twee verschijnen, over de resterende jaren 1923-1935.

In mijn ogen zijn de mooiste en belangrijkste gedichten van De Campos: 'Triomf-ode', 'Ode aan de zee', 'Martiale Ode', 'Groet aan Walt Whitman' en 'De Sigarenwinkel'. Afgezien van het laatstgenoemde gedicht dat in 1928 gedateerd wordt, zijn alle gedichten in deze periode geschreven.

De Campos riep wat Pessoa zelf niet durfde te voelen. Voor de poëtica van De Campos ontwikkelde Pessoa een systeem gebaseerd op gewaarwordingen, het 'sensationisme'. De spreker verliest zich niet in reflecties over deze of gene, maar beschrijft zo direct mogelijk zijn zintuiglijke gewaarwordingen, zijn sensaties. De Campos doet dat op een overweldigende manier, alsof hij op wilde gaan in het moment. Alsof hij volledig wilde leven in de toppen van zijn vingers.

De stijl van De Campos staat bol van de hyperbolen. Bijna iedere sensatie die hij ervoer, werd op de spits gedreven. De energie die uitgaat van zijn werk is dan ook enorm. Hij gebruikte de lange regels die ook Walt Whitman hanteerde, maar had daarnaast veel affiniteit met het futurisme, een kunststroming waarin de opkomst van de machine lyrisch bezongen werd, en met het spel met taal en klank dat bijvoorbeeld ook tijdgenoot Paul van Ostaijen hanteerde.

Zo opent 'Martiale Ode' met:

 

"Klaroenen in de nacht,

Klaroenen in de nacht,

Klaroenen ineens klinkend in de nacht...

(Is het van ruiterij, van ruiterij, van ruiterij dat dreunen in de verte?)"

 

En aan het begin van de 'Triomf-ode' komt de volgende lyrische passage voor:

 

"O wielen, raderwerken, eeuwig r-r-r-r-r-r-r-!

Hevig, ingehouden spasme van razende machinerieën!

Razend buiten mij en in mijn binnenste,

Door al mijn buiten mij opengelegde zenuwen,

Door al mijn papillen buiten alles waarmee ik voel!

Ik heb droge lippen, o grote moderne geluiden,

Van u van té dichterbij horen,

En mijn hoofd kookt van u te willen zingen met een overmaat

Aan uitdrukking van al mijn sensaties,

Met een overmaat die van uw tijdperk is, machines!"

 

Zulke gedichten waren ongewoon voor de Portugese letterkunde van zijn tijd, maar binnen Europa een normaal en goed begrepen geluid.

De volgende twee fragmenten laten mooi de relatie zien tussen De Campos en Whitman.

 

"Kom, O nacht, aloud en immer eender

Nacht, onttroond geboren Koningin,

Nacht, gelijk inwendig aan de stilte, Nacht

Met klatergouden sterren snel verschietend

In uw kleed met franjen van Oneindigheid.

 

Kom, zonder dat ik het zie,

Kom, zonder dat ik het voel,

Kom eenzaam, plechtig, handen hangend langs

Uw zijden, kom"

 

. . .

 

"Ik ben het die loopt met de tedere en groeiende nacht,

Ik roep naar de aarde en de zee halfverborgen in de nacht.

 

Omarm innig, nacht met de blote boezem – omarm innig, aantrekkelijke, koesterende nacht!

Nacht van zuidelijke winden – nacht van de grote, spaarzame sterren!

Nog steeds knikkende nacht – waanzinnige, naakte zomernacht.

 

Lach O wellustige aarde met je koele adem!

Aarde van de sluimerende en heldere bomen!

Aarde van de vertrokken zonsopgang – aarde van de mistige bergtoppen!

Aarden van de glazen stortbui van de volle maan, vlaag blauw getint!

Aarde van de schittering en schaduw die het getij van de rivier bevlekken!

Aarde van de doorschijnende, grauwe wolken, stralender en helderder voor mij!

Ver neerduikende aarde met je ellebogen – rijke, appelrode aarde!

Lach, want jouw minnaar komt eraan."

 

Het eerste fragment is afkomstig uit 'Twee fragmenten van oden' van De Campos, het tweede uit het lange gedicht 'Song of Myself’ (1855) van Whitman. Opvallend verschil tussen beide dichters is dat Whitman een optimist bleef, terwijl De Campos zelfs op zijn meest lyrische momenten niet echt geloofde in een goede afloop. Als een ware decadente kunstenaar zag hij in alles ten uiterste de onmogelijkheid en het verval. Verderop in deze ode schreef hij dan ook:

 

"Onze Vrouwe

Van de onmogelijke dingen die wij vergeefs zoeken,

Van de dromen die tot ons komen in de schemer, aan het venster,

Van de plannen die ons strelen

Op de grote balkons van de kosmopolitische hotels

Bij de Europese klanken van muziek en van stemmen veraf en dichtbij,

En die ons pijn doen omdat we weten dat we ze nooit zullen realiseren

…"

 

De tragiek, die kenmerkend is voor het melancholische leven van Fernando Pessoa, lees je ook terug in de lyrische werken van De Campos. Gevraagd naar zijn zelfverkozen sociale isolement, schreef Pessoa: 'Het is geen crisis om me daarover te beklagen. Het is het alleenzijn van degeen die te ver voor is geraakt op zijn reisgenoten'.

Het Portugees van Pessoa leest moeizaam, komt bij vlagen zelfs archaïsch over. Dezelfde toon heeft Willemsen in het Nederlands willen benaderen met zijn vertaling. Van Willemsen verscheen eerder bij de Arbeiderspers de bundel Gedichten (1978), die een selectie uit het werk van Fernando Pessoa bevat. Deze fraaie bundel had in 2001 nog zijn negende druk en bevat werk van de vier belangrijkste heteroniemen: Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Álvaro de Campos en Fernando Pessoa. De mensen die voor het eerst in contact komen met Pessoa, kan ik die bundel uit 1978 ten zeerste aanraden. Het boek is een mooie opstap naar het werk van Pessoa met uitgebreide documentatie over de dichter. De hier besproken lijvige bundel is dan stap twee.

 

(c) Joris Lenstra

Recensie van Álvaro de Campos [Fernando Pessoa] - Gedichten 1913-1922, vertaling August Willemsen, Arbeiderspers, Amsterdam, 2006.

 

Verschenen online op Meander Magazine op 14 december 2006.