"De 4 seizoenen"

Lente

Blijf bij mij, zeiden haar ogen.
Maar kan ik dat wel, nu ik in de lente van mijn leven ben?
Nu ik rond wil rennen als een jonge bok
in deze groene wei,
alles wil ruiken, proeven,
knibbelen en knabbelen wil aan alles wat leeft.

Nu alles nog bloeit en groeit en verleidelijk is voor mij.
Nu de alcohol nog niet haar tol eist van mij,
alleen zijn treiterende, veelstemmige spel speelt met mij.
Nu de inspiratie golven zijn die mij constant onderdompelen en overspoelen.
Ik baad iedere dag in de zee van eindeloze mogelijkheden.
Ik kan alles zijn, wat ik wil zijn.

Ik kan niet bij je blijven, zei ik,
het juk afwerpend met speelse onverschilligheid
en groots gemak.

Ik had haar gekwetst,
maar ik dacht alleen aan de geweldige ochtend.

Van nu af aan zou het alleen maar minder worden, dacht ik,
niet wetend dat het meer zou zijn,
niet wetend dat ik haar opnieuw tegen zou komen.

Onherkenbaar werden we allebei ouder.

 

Zomer

Hier ben ik die alles nu wil hebben,
alles is voor mij gemaakt.
Er is geen volmaakter tijd dan het heden,
dat het nooit voorbij mag gaan.

De lome middagzon die over de rijpe, ronde vruchten flaneert,
de velden die mij trots hun overdadige oogst laten zien,
wachtend op de handen die willen halen,
wat ze zelf gezaaid hebben.

Ik twijfel niet meer aan mezelf,
ik heb de regels van het spel doorzien,
ik weet waar ik aan begin.
Mijn rechte rug is geen overmoed
maar acceptatie.

Waarlijk zijn wij Gods kinderen
in deze tijd van het lam en de leeuw,
van herinnering, verbroedering en voorspoed.

Ik heb haar aan mijn zij
met haar gouden haren is ze net een lachende zon,
de kinderen spelen om ons heen.

Ik beleef mijn leven,
om meer kan ik niet vragen.

 

Herfst

Mensen ontmoeten elkaar
tasten elkaar af, blijven bij elkaar, laten elkaar los
als herfstbladeren, wispelturig
door een winderige straat.

Zo heb ik je ontmoet,
zo ben ik je weer kwijtgeraakt.

Gelukkig is hij die niet alleen afsterft.
Maar is dat wel mogelijk?
vraag ik mij af
met de winter kloppend op de deur van mijn hart.

Hoe ben je ouder geworden zonder te verkillen,
vragen ze mij,
niet het dunne vrieslaagje ziend rondom mijn hart.

Ik laat minder makkelijk mensen binnen,
ben stiller,
stoot gemakkelijker kennissen af
met een onverschilligheid die me soms ziekelijk voorkomt.

Ben ik te vroeg begonnen
met het opmaken van het testament van mijn leven?
Wie kan ik nog tot mijn vrienden rekenen?
En wie niet?

Sommige mensen zijn als het gras, ze blijven waar ze zijn
verkleuren, verrotten
en rijzen hopelijk weer op.

Maar ik heb altijd te veel de wind in mijn leden gehad
Pas het graf zal mij binden
en zelfs dat is nog de vraag.

 

Winter

Nu ben ik hier en heb ik dit gedacht.
Heb ik gelogen?
Heeft het leven mij gebracht wat ik ervan had verwacht?
Kan ik de rest mijn tijd gedogen,
staand met mijn tenen over de rand van mijn gat?

Jullie zijn er allemaal,
waarom toch zo somber, mensen?
Waarom in dat lelijke zwart?
Heeft de dood soms bij jullie het licht uit de ogen gestoken, de tong verlamd?
Vier vandaag dat jij er nog bent.

Ik heb er al zovele zien gaan, meer dan een generatie,
ze gedenkend met slappe koffie aan bittere buffetten
als zoete cake de herkenning en herinnering,
emoties koesterend in onbekende stemmen,
op de tast door het laatste restje leven;
wij weten beter dan jij:
we leven allemaal alleen, ook al worden we niet alleen geboren.

Maar het is zo koud hier,
zo eenzaam en alleen hier,
zo zwart en zonder tranen, zonder troost.

Als ik kon spreken dan zou ik zeggen:
zorg dat je hier niet terechtkomt,
alles wat ze erover beweren is gelogen.

Keer me niet de rug toe.
Je mag me alles aandoen
maar sluit niet de deksel
op mijn kist.